Pinot Noir
Pinot Noir gedijt het best in streken met een getemperd klimaat, waar het groeiseizoen lang is en er dus veel aromavorming in de vruchten ontstaat.
Zijn favoriete grond is kalksteen, al dan niet vermengd met ijzerhoudende klei. De oorsprong van de Pinot Noir ligt in de Côte de Nuits in Bourgogne, waar de Pinot Noir al tweeduizend jaar groeit. Buiten Bourgogne blijkt het niet eenvoudig om dit ras te verbouwen waardoor hij een veel geringere verspreiding kent dan bijvoorbeeld de Cabernet Sauvignon maar hij is inmiddels al wel te vinden in bijvoorbeeld Tasmanië en Nieuw-Zeeland.
Rode wijnen van Pinot Noir hebben gewoonlijk geen heel donkere kleur, maar wel een aantrekkelijke geur. Ook kenmerkend is een fijne smaak die de wijn vanaf zijn jeugd al heel toegankelijk maakt. Ondanks die zachtheid en soepelheid kunnen de betere Pinot Noirs een lange flesrijping ondergaan. De druif wordt ook gebruikt voor mousserende wijn. |